Bevoegdheid
Juridische context
Het is gerechtvaardigd om een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven.
Ondernemingen die in het kader van hun bedrijfsactiviteit gebruik maken van motoren, vertonen in het algemeen een veel groter gebruik en verbruik van de elektriciteitsvoorzieningen dan de ondernemingen die in het kader van hun bedrijfsactiviteit geen motoren aanwenden.
De belasting op drijfkracht is een belasting die het vermogen van motoren wenst te belasten. De stad stelt deze belasting in om bedrijven ertoe aan te zetten zorgvuldig met energiebronnen om te gaan en de bedrijven aan te zetten tot innovatie, duurzaamheid en de ontwikkeling van nieuwe productieprocessen met een efficiënter elektriciteitsverbruik.
De ontvangsten worden geboekt op RW-FIN/0020-00/734020.
Besluit
Enig artikel: De gemeenteraad stelt het reglement betreffende een belasting op drijfkracht vast als volgt:
Reglement betreffende een belasting op drijfkracht
Artikel 1
Er wordt voor het dienstjaar 2026 ten laste van de natuurlijke personen of rechtspersonen, van de vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, de feitelijke verenigingen of vennootschappen, alsmede ten laste van de natuurlijke personen en de verenigingen die een zelfstandig of vrij beroep uitoefenen, een jaarlijkse belasting op de motoren geheven van 15 EUR per kilowatt, ongeacht de vloeistof of de energiebron die hen voortbeweegt en die gebruikt worden in de industriële, handels-of landbouwbedrijven.
De belasting is verschuldigd voor de motoren die de belastingplichtige voor exploitatie van zijn inrichting of van dezer bijgebouwen gebruikt.
Dienen als bijgebouw van een inrichting beschouwd, iedere instelling of onderneming, iedere werf van om het even welke aard, welke gedurende een ononderbroken tijdvak van minstens drie maanden op het grondgebied van de gemeente is gevestigd.
Daarentegen is de belasting niet verschuldigd aan de gemeente, zetel van de inrichting voor de motoren gebruikt door het hierboven bepaalde bijgebouw, in de verhouding waarin die motoren kunnen belast worden door de gemeente waar het bijgebouw gelegen is.
Wanneer hetzij een inrichting, hetzij een zoals hierboven bedoeld bijgebouw, geregeld en duurzaam een verplaatsbare motor gebruikt voor de verbinding met een of meer bijgebouwen, of met een verkeersweg, is daarvoor de belasting enkel verschuldigd, indien hetzij de inrichting zelf, hetzij het voornaamste bijgebouw in de gemeente gevestigd is.
Artikel 2
De belasting wordt gevestigd op de na te noemen grondslagen:
a) omvat de inrichting van belanghebbende slechts één motor dan wordt de belasting gevestigd volgens de kracht opgegeven in het besluit waarbij vergunning tot het plaatsen van de motor verleend of akte van die plaatsing gegeven wordt.
b) omvat de inrichting van belanghebbende verschillende motoren, dan wordt de belastbare kracht vastgesteld door de krachten opgegeven in het besluit, waarbij vergunning tot het plaatsen van de motoren verleend of akte van die plaatsing gegeven wordt, op te tellen en deze som te voorzien van een simultaanfactor, veranderd volgens het aantal motoren.
Deze factor, gelijk aan de eenheid van één motor, wordt tot en met 30 motoren met 1/100 van de eenheid per bijkomende motor verminderd en blijft daarna onveranderd en gelijk aan 0,70 voor 31 motoren en meer.
De kracht der hydraulische toestellen wordt vastgesteld in overleg met belanghebbende en het college van burgemeester en schepenen. Het staat belanghebbende vrij, in geval van onenigheid een tegenexpertise uit te lokken.
c) het bepaalde onder a) en b) in dit artikel wordt door de gemeente toegepast naargelang van het aantal motoren waarop zij krachtens artikel 1 belasting heft.
Artikel 3
Zijn belastingvrij:
1. De motoren die gans het onmiddellijk voorafgaande jaar stilliggen. Deze non-activiteit moet blijken uit desbetreffende, om de drie maand te hernieuwen, schriftelijke berichten aan het gemeentebestuur, zoals voorzien bij artikel 6. Wat het eerste jaar van de belastingheffing betreft is het bewijs van de non-activiteit evenwel met alle mogelijke rechtsmiddelen te leveren;
2. De motoren gebruikt voor het aandrijven van voertuigen die onder de verkeersbelasting op de autovoertuigen vallen of die speciaal van deze belasting zijn vrijgesteld door een bepaling van de desbetreffende samengeordende wetten;
3. De motor van een draagbaar toestel;
4. De motor, die een elektrische generator drijft, voor het gedeelte van zijn vermogen, overeenstemmende met dat benodigd voor het drijven van de generator;
5. De door perslucht aangedreven motor;
6. De motorkracht, gebruikt voor watermalingstoestellen om het even vanwaar het water voortkomt, zomede deze voor ventilatie- en verlichtingstoestellen;
7. De reservemotor, d.i. deze waarvan de werking niet onmisbaar is voor de normale gang der fabriek en die slechts werkt in uitzonderingsgevallen, voor zover zijn tewerkstelling niet tot gevolg heeft dat de productie der betrokken inrichtingen verhoogd wordt;
8. De wisselmotor, d.i. deze die uitsluitend bestemd is voor hetzelfde werk als een andere welke hij tijdelijk moet vervangen;
9. De motoren gebruikt om het aardgas samen te persen in de vervoerleidingen.
De reserve- en wisselmotoren kunnen aangewend worden om tezelfdertijd te werken als deze die normaal gebruikt worden gedurende de nodige tijd om de voortzetting van de procedure te verzekeren.
Artikel 4
De motoren die van de belasting zijn vrijgesteld wegens stilligging gedurende het ganse jaar, alsmede deze, die bij toepassing van de bepalingen in 2., 3., 4., 5., 6., 7., 8., en 9. van artikel 3 zijn vrijgesteld, komen niet in aanmerking om de simultaanfactor van de installatie van belanghebbende te bepalen.
Artikel 5
Wanneer de fabricagemachines ten gevolge van een ongeval, niet meer mochten in staat zijn om meer dan 80% van de door een belastingplichtige motor geleverde kracht te verbruiken, wordt de nijveraar slechts belast op de verbruikte kracht van de motor, uitgedrukt in KW op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit minstens drie maanden duurt en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden gebruikt wordt.
Belanghebbende kan geen belastingvermindering bekomen, tenzij op per post aangetekende of tegen ontvangstbewijs afgegeven berichten waarbij hij aan het gemeentebestuur door het ene, de datum van het ongeval, en door het andere, de datum van de weder-ingangstelling aangeeft.
Voor de berekening van de belastingvermindering gaat de motorafstelling eerst in na de ontvangst van het eerste bericht.
De belanghebbende moet bovendien op verzoek van het gemeentebestuur, alle stukken overleggen waardoor de waarachtigheid van zijn verklaringen kan nagegaan worden.
Het buitengebruik stellen van een motor wegens ongeval, moet binnen acht dagen aan het gemeentebestuur genotificeerd worden op straffe van ontzetting uit het recht op belastingvermindering.
Artikel 6
Behoudens wanneer de regeling bedoeld bij artikel 7, hiernavolgend, werd gekozen, brengt de verdwijning of het definitief buiten gebruik stellen in de loop van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar van een belastbare motor, een belastingvermindering mee. Deze vermindering gaat in vanaf de maand volgend op het bericht, gezonden aan het gemeentebestuur, betreffende de verdwijning of het buiten gebruik stellen.
Het stilleggen voor een ononderbroken tijdvak gelijk aan of groter dan een maand geeft aanleiding tot een belastingvermindering in verhouding tot het aantal maanden, gedurende dewelke de toestellen gedurende het jaar voorafgaand aan het belastingjaar hebben stilgelegen. De verplichte vakantieperiode wordt niet in aanmerking genomen voor het bekomen van de belastingvermindering voor het stilleggen van de motoren.
Voor de berekening der belastingvermindering gaat de motorafstelling eerst in na de ontvangst van het eerste bericht.
Met een inactiviteit voor de duur van één maand wordt gelijkgesteld de activiteit die beperkt is tot één dag werk op vier weken in de bedrijven die met de RVA een akkoord hebben aangegaan inzake de activiteitsvermindering om een massaal ontslag van personeel te voorkomen.
Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt eveneens gelijkgesteld de inactiviteit gedurende een periode van vier weken, gevolgd door een activiteitsperiode van één week, als het gebrek aan werk te wijten is aan economische oorzaken.
Om deze evenredige vermindering te kunnen genieten moet de belanghebbende, behoudens wanneer hij op geldige wijze de regeling gekozen heeft bedoeld bij artikel 7, hiernavolgend, aan het gemeentebestuur schriftelijk bericht gegeven hebben van de dag waarop de motor stilligt en van de dag waarop hij terug in werking wordt gesteld. Een ontvangstbewijs zal aan de belanghebbende worden afgeleverd. Dit bericht moet om de drie maand worden hernieuwd. De vermindering van belasting geldt vanaf de maand volgend op de datum van ontvangst van het bericht van stillegging tot de maand volgend op deze van wederinwerkingstelling. De berichtgeving is van substantiële aard en op straffe van verval voorgeschreven.
Wat het eerste jaar van de belastingheffing aangaat, is het bewijs van tijdelijke non-activiteit of van de definitieve buitengebruikstelling met alle mogelijke rechtsmiddelen te leveren.
Indien vastgesteld wordt dat de motor werkt voor het geven van het bericht van wederinwerkingstelling zal geen vermindering worden toegestaan, hoelang de stillegging ook heeft geduurd.
Artikel 7
Wanneer de installaties van een nijverheidsbedrijf voorzien zijn van meetapparaten voor het maximum kwartuurvermogen, waarvan de opnemingen maandelijks door de leverancier van elektrische energie worden gedaan met het oog op het factureren ervan en bijaldien dat bedrijf belast werd op grond van het bepaalde in de artikelen 1 tot 6 gedurende een periode van tenminste twee jaar, wordt het bedrag van de belastingen betreffende de volgende dienstjaren, op verzoek van de exploitant, vastgesteld op basis van een belastbaar vermogen, gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de twaalfmaandelijkse maximum-kwartuurvermogens van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
Om het voordeel van de bepalingen van dit artikel te genieten, moet de exploitant, voor 31 maart van het aanslagjaar een schriftelijke aanvraag bij het gemeentebestuur indienen met opgave van de maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen, welke in zijn installaties werden opgenomen tijdens het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan hij om de toepassing van deze bepalingen verzoekt. Hij moet er zich voorts toe verbinden bij zijn jaarlijkse aangifte de opgave der maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen van het belastingjaar te voegen en het bestuur toe te laten te allen tijde de in zijn installaties gedane metingen van het maximum kwartuurvermogen, vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie, te controleren.
De exploitant die deze wijze van aangifte, controle en aanslag kiest, verbindt zich door zijn keuze voor een tijdvak van vijf jaar.
Behoudens verzet van de exploitant of van het bestuur bij het verstrijken van het optietijdvak, wordt dit stilzwijgend verlengd voor een nieuw tijdvak van vijf jaar.
Artikel 8
De belasting wordt gevestigd op grond van de belastbare motorenkracht tijdens het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar, en is verschuldigd vanaf de 31ste KW. Ze wordt berekend per maand en elk gedeelte ervan wordt voor een volledige maand geteld. Indien een motor evenwel tijdens dezelfde maand belastbaar is in verschillende gemeenten, is de belasting verschuldigd aan de gemeente met het grootst aantal dagen gebruik. Is dit aantal gelijk dan wordt de belasting evenredig per halve maand verdeeld.
Een motor die voor de eerste maal in werking wordt gesteld, is belastbaar vanaf de volgende maand. Dit geldt nochtans niet wanneer werd geopteerd voor de in artikel 7 voorziene regeling.
Artikel 9
Bij staking van de bedrijfsactiviteiten op het grondgebied van de gemeente in de loop van het belastingjaar, om welke reden ook, wordt bij afwijking de aanslag gevestigd, berekend op basis van de motoren tijdens vorenbedoeld jaargedeelte of jaar gebruikt, en verbonden aan het jaar waarin de staking van de bedrijfsactiviteiten plaats heeft.
Voor de bedrijven aangeslagen op basis van het maximum kwartuurvermogen zal de eventueel bijkomende aanslag gevestigd worden op basis van het gemiddeld kwartuurvermogen tijdens het jaargedeelte of jaar dat er nog bedrijfsactiviteiten waren. De aan te geven waarden zijn deze vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie.
De belastingplichtigen die onder de toepassing van deze bepaling vallen zijn verplicht, uiterlijk acht dagen na de staking van de bedrijfsactiviteiten, hiervan aangifte te doen bij het gemeentebestuur
Artikel 10
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 11
De belastingplichtige moet, ten laatste op 31 oktober van het aanslagjaar, aangifte doen van de gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de belastbare grondslag en het belastbaar feit op het door de gemeente voorgeschreven aangifteformulier. Valt de uiterste indieningsdatum op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
Een belastingplichtige die niet spontaan een aangifteformulier gekregen heeft, doet het nodige om dit op eenvoudig verzoek te bekomen en aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen uiterlijk op 31 oktober van het aanslagjaar.
Artikel 12
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 11 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve worden ingekohierd conform de procedure voorzien in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 op de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan 25% van de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Artikel 13
De aanslagbiljetten worden schriftelijk of via Peppol verzonden aan de belastingplichtige.
Artikel 14
De belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger kan tegen de belastingaanslag bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het bezwaar moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Het bezwaarschrift moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wordt schriftelijk ingediend;
2° het wordt ondertekend;
3° het wordt gemotiveerd.
Bezwaren moeten per aangetekend brief worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen, Grote Markt 27, 3300 Tienen, of via mail naar inningen@tienen.be.
Artikel 15
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 16
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.